Regio’s: maak geen profiel, maak een plan!

Regio’s: maak geen profiel, maak een plan!
11-04-2018 10:31

Minister Van Engelshoven heeft de andere overheden opgeroepen om culturele profielen op te stellen. Mijn suggestie aan de steden en provincies is om geen profielen te maken, maar concrete plannen. Een profiel beschrijft de status quo, een plan vertelt wat je wilt gaan doen. Verbeterplannen kunnen de basis vormen voor een systeem van cofinanciering waarbij goede plannen worden gehonoreerd in een constructie waarin alle overheden meebetalen.

 

Vorige maand maakte Minister Van Engelshoven (OCW) met een brief aan de Tweede Kamer haar plannen bekend op het gebied van cultuur. De brief (getiteld Cultuur in een open samenleving) past in de lijn die eerdere D66-bewindslieden volgden op het gebied van cultuur. Die lijn werd ingezet door Aad Nuis, staatssecretaris in het eerste paarse kabinet. Hij bracht in 1995 een cultuurnota uit met als titel (en centraal thema): Pantser of ruggengraat. Kort getypeerd:  een goed (cultureel) zelfbewustzijn is een voorwaarde voor een open bejegening van anderen: een maatschappij die zijn culturele verworvenheden als een innerlijke zekerheid met zich meedraagt is in staat tot vernieuwing en verandering en tot een welwillende omgang met andersdenkenden zonder angst voor identiteitsverlies. Kortom: de open samenleving waar van nature ideeën in en uit stromen zoals Van Engelshoven dat schetst.

 

Culturele profielen: al eerder geprobeerd

Er is nóg een parallel met het beleid van Nuis: ook hij zocht naar een vruchtbare samenwerking tussen rijk, provincies en gemeenten. Hij nam daartoe net als Van Engelshoven zijn toevlucht tot culturele profielen. Vanaf 1996 moesten gemeenten en provincies in het kader van de cultuurnotasystematiek culturele profielen opstellen met daarin ‘ontwikkelingsrichtingen’ voor hun culturele infrastructuur. Dat leidde tot vuistdikke nota’s, maar niet tot wezenlijk ander beleid en al helemaal niet tot een andere verdeling van financiële middelen. Na enkele cycli werd het idee van de profielen daarom weer verlaten. Echter, Van Engelshoven haalt ze nu weer van stal: aansluitend bij de Verkenning van de Raad voor Cultuur nodigt zij de andere overheden uit om stedelijke en regionale profielen op te stellen. Want: “zo kunnen we bij de samenstelling van de basisinfrastructuur, zoals de Raad voor Cultuur bepleit, sterker rekening te houden met de samenstelling en de behoefte van de bevolking, met de identiteit en verhalen uit de regio, en met het lokale klimaat voor de makers en kunstenaars.”

 

Knelpunten oplossen

Van Engelshoven geeft aan dat zij het met de Raad voor Cultuur belangrijk vindt dat de profielen niet van bovenop worden vormgegeven. Daarom vraagt zij de andere overheden om de profielen samen met het culturele veld op te stellen. Mijn oproep aan de steden en provincies is om geen profielen te maken, maar concrete plannen. Een profiel beschrijft de status quo. Een plan stelt wat je wilt realiseren. De ervaringen uit de periode Nuis en daarna leren dat je met profielen niet veel opschiet. Het gaat erom acties in gang te zetten waarmee de knelpunten in de sector worden getackeld. Ik roep de punten in herinnering die de Raad voor Cultuur noemde:

  • op de BIS en op sommige rijksfondsen is behoorlijk gekort en ook de provincies en gemeenten hebben tijdens de Kredietcrisis bezuinigd. De sector staat er financieel dus moeilijk voor;
  • het gesubsidieerde aanbod trekt minder publiek;
  • productie, presentatie en publieksdeelname zijn soms matig op elkaar afgestemd, vooral in de podiumkunsten;
  • de geografische spreiding van geld en cultureel aanbod laat flink te wensen over;
  • de Wet (op het specifiek cultuurbeleid) biedt amper handvatten voor beleid;
  • de subsidietermijn van vier jaar voor BIS-instellingen is te kort.

 

Verbeterplannen

Er is behoefte aan gerichte plannen om deze knelpunten op te lossen: lokaal, regionaal en landelijk. Dat kunnen plannen zijn die in regionale proeftuinen zijn ontwikkeld (zie voor de podiumkunsten in MMNieuws van juli 2017), maar kunnen ook plannen zijn om een regionale culturele infrastructuur te definiëren (zoals in en door en aantal provincies al is gebeurd) of landelijke plannen van Kunsten92 of anderen. Belangrijk is dat die plannen de ruimte krijgen en dat er geld komt om ze tot ontwikkeling te brengen.

 

Gezamenlijke financiering

De meest effectieve manier om goede plannen te honoreren is de methode van cofinanciering die eerder werd toegepast in het kader van bijvoorbeeld het Actieplan Cultuurbereik. Zoals ik eerder schreef: “Als iets heeft bewezen van grote waarde te zijn in de culturele sector, dan is het de gezamenlijke financiering van initiatieven en instituties. Telkens weer blijkt dat samenwerking tussen overheden niet alleen een afweermechanisme vormt tegen bezuinigingen, maar ook een vliegwiel is voor extra inspanningen.” Mijn voorstel is dat de minister zich ervoor inzet om mee te betalen aan concrete verbeterplannen van stedelijke regio’s. Dat meebetalen kan plaatsvinden op basis van een bedrag per inwoner of een bedrag per gebied. Voorwaarde is natuurlijk dat de deelnemende gemeenten en provincies eenzelfde bedrag (of een bedrag naar rato) bijleggen.

Op die manier blijven we weg van statische cultuurprofielen en kan er een dynamiek op gang worden gebracht die kan leiden tot verbetering en vernieuwing.

reacties  0 reacties reageren

Vijf voorstellen om de bescherming van monumenten te verbeteren

Vijf voorstellen om de bescherming van monumenten te verbeteren
11-04-2018 10:24

Het ministerie van OCW onderzocht in de afgelopen periode of het erfgoedbeleid nog voldoet aan de eisen van de tijd. Dat gebeurde via het project Erfgoed Telt. Uit een verkenning die in dit kader plaatsvond bleek dat er momenteel veel kritische geluiden zijn over de manier waarop gemeenten hun wettelijke taken uitvoeren. Insiders signaleren niet alleen dat de deskundigheid bij gemeenten aan het afnemen is, ook stellen zij vast dat er steeds meer storingen in de communicatie zijn tussen de vele actoren die op lokaal niveau bij de monumentenzorg betrokken zijn. Het gemeentelijk toezicht (een wettelijke taak) wordt getypeerd als ‘een drama’. Het krijgt geen prioriteit, gebeurt ondeskundig en vaak pas nádat een restauratie of opgraving is afgerond.

 

Belangrijk bij de taakvervulling door overheden en de beoordeling daarvan is: corrigerend vermogen. Onze maatschappij en ons staatbestel zijn zo ingericht dat als overheden tekortschieten in hun taakuitoefening dit vroeg of laat wordt gecorrigeerd. Dat gebeurt door het bestuurlijke systeem van wederzijdse controle en evenwicht en door bestuursrechtelijke uitspraken. Ook interventies van de pers en van het algemene publiek kunnen corrigerend werken. Voor veel maatschappelijke domeinen geldt dat vroegtijdige correctie valt te prefereren boven een late reactie. Dat geldt voor tekortkomingen in de jeugdzorg en voor falend milieutoezicht en het is ook van toepassing als het gaat om cultuurgoederen. De relevante vraag voor Erfgoed Telt is of de gangbare corrigerende mechanismen thans nog tijdig en in voldoende mate werkzaam zijn. Uit een onderzoek van BMC (met de veelzeggende titel Stelsel op lappendeken) blijkt dat de manier waarop monumenten tegen beschadiging en vernietiging worden beschermd mankementen vertoont. Hieronder doe ik vijf voorstellen om het corrigerend vermogen van het monumentenzorgstelsel structureel te verstevigen.

 

Stel een MonumentenAutoriteit in 

Stel een centraal orgaan in dat zich over flagrante schendingen van monumentale waarden buigt (‘naming en shaming’), bijvoorbeeld een MonumentenAutoriteit, of een Onderzoeksraad voor Monumentale Waarden. Zorg dat zo’n orgaan gezag heeft en doorzettingsmacht. Dit vergt enige afstand tot het ministerie en ook tot de andere overheden. Zet de huidige Erfgoedinspectie op grotere afstand van het ministerie en maak haar tot een belangrijk onderdeel van het nieuwe orgaan. Geef dat orgaan dus een bredere opdracht dan de Inspectie thans heeft. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft in het veld het imago van een tandeloze tijger. Voorkom dat dit beeld ook rond dit nieuwe orgaan ontstaat.

 

Laat het orgaan niet alleen misstanden aan de kaak stellen, maar ook het maatschappelijke debat over erfgoedwaarden voeden, zoals de Onderzoeksraad voor de Veiligheid het debat voedt over wat we als maatschappij acceptabel vinden wanneer het gaat om onze veiligheid.

 

Geef het orgaan instrumenten in de sfeer van onderzoek en analyse. In de Erfgoedwet is daarvoor wel een haakje te vinden. Een voorbeeld is de Erfgoedmonitor, maar die kan steviger opgetuigd en gepositioneerd worden. Ook onderzoek onder individuele gemeenten en specifieke misstanden is meer dan welkom. In de periode vóór de inwerkingtreding van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (d.w.z. voor 2012) had de Inspectie wat dit betreft meer middelen dan nu.

 

Leer van gedecentraliseerde zorgterreinen

Wanneer we kijken naar de “zorgachtige” terreinen waar taken naar gemeenten zijn gedecentraliseerd (de ouderenzorg, de jeugdzorg, de milieuzorg en ook de monumentenzorg) dan valt op dat het gemeenten vaak moeite kost om haar coördinerende of regisserende rol goed in te vullen, zeker in de beginperiode.  Dit komt vooral door de veelheid aan actoren die bij “de zorg” zijn betrokken. Breng gemeenten ertoe om de lessen die zijn getrokken op het terrein van de gedecentraliseerde zorg óók toe te passen in de monumentenzorg. Stimuleer bijvoorbeeld dat er wordt gewerkt met gebiedsgerichte teams. En dat via ‘’keukentafelgesprekken’’ met monumenteigenaren periodiek in beeld wordt gebracht welke zorg er nodig is aan het monument. Het gesprek dient dan om duidelijk te krijgen waaraan een eigenaar specifiek behoefte heeft. De gemeente kan daarbij nagaan wat een eigenaar zelf weet en kan regelen. Op grond daarvan kan gericht advies worden gegeven. Een mooi voorbeeld is  de manier van werken van de Monumentenwacht in Groningen (vliegende keep-constructie). Een term die in dit verband wel is gebruikt is: een apk-moment voor het monument. Overigens is het sowieso wenselijk om de provinciale Monumentenwacht in positie te brengen als centrale actor voor (overleg over) onderhoud, kwaliteitsbeleid, advisering over subsidies en toezicht.

 

Start met het elektronisch monumentendossier

Versterk de (informatie)positie van eigenaren en burgers door toe te werken naar een elektronisch monumentendossier per monument, centraal opgeslagen en vrij toegankelijk voor iedereen. Benader dit als ware het een elektronisch patiëntendossier. Daarin staat de hele medische geschiedenis van het individu; in het digitale monumentendossier zou op termijn de hele bouwhistorie kunnen zijn opgenomen. Als dit openbaar toegankelijk is, versterkt dit het maatschappelijk immuunsysteem tegen de aantasting van erfgoed, want burgers en belangenorganisaties hebben direct toegang tot kennis over het monument en kunnen zo nodig op basis daarvan actie ondernemen.[1] NB: ook gemeenten zullen hiermee zijn geholpen. Immers: de digitale informatiesystemen van veel gemeenten zijn niet op orde waar het monumentale waarden, bouwhistorische rapporten en bouwtekeningen betreft.

 

Koppel aan het elektronische monumentendossier ook een uniek monumentnummer dat zichtbaar op de gevel moet worden aangebracht. Hiermee wordt bij eigenaren, burgers en waakhond-organisaties het bewustzijn versterkt dat het ter plaatse om een object gaat waarvan de monumentale waarde bescherming verdient (het Schotse model).

 

Maak melden makkelijk

Versterk het geheel van checks en balances door beter gebruik te maken van betrokken en meldende burgers en van organisaties die een waakhondfunctie vervullen. Maak beter duidelijk waar kan worden gemeld, wat ermee wordt gedaan en hoe er (eenduidig) wordt geregistreerd.

 

Versterk het maatschappelijk immuunsysteem

Het laatste punt neemt de voorgaande punten samen en verbindt deze. Het houdt in dat we met deze voorstellen en met andere ideeën moeten proberen het maatschappelijke immuunsysteem tegen aantasting van erfgoed te vergroten. De #MeToo-actie laat zien dat het grote publiek tegenwoordig goed te mobiliseren is om misstanden aan de kaak te stellen. De kunst is om een zodanig maatschappelijk klimaat te creëren dat het aantasten van een monument als een wantoestand wordt gezien. Het opbouwen van een maatschappelijk immuunsysteem (bewustwording!) werkt preventief en is de beste remedie tegen falend beleid en haperend toezicht. Een MonumentenAutoriteit, keukentafelgesprekken, een centrale rol voor de Monumentenwacht, elektronische dossiers, duidelijke spelregels voor meldingen van misstanden: het zal allemaal aan die bewustwording bijdragen. 

 

[1] Voor de archeologie is dit al wel geregeld, namelijk via Archis (het Archeologisch Informatiesysteem met gegevens over vindplaatsen en terreinen in heel Nederland). Het gaat om opvolging van deze benadering voor de bovengrondse monumenten.

reacties  0 reacties reageren

Onderken de werking van de Wet van Bouwdrift: investeer in programmering

Onderken de werking van de Wet van Bouwdrift: investeer in programmering
11-04-2018 10:14

Graag neem ik de #Verkiezingsconferentie van #Kunsten92 te baat (Leeuwarden, 2/2/2018) om de wethouders cultuur van Nederland te vragen of zij inzien dat steeds meer geld in onze cultuurgebouwen gaat zitten en of zij bereid zijn "het andere been bij te trekken" en weer te investeren in de makers van al het moois wat er is te zien, te horen en te beleven?


De jaarlijkse Cultuurindex van #Boekmanstichting en #CBS berichtte dit jaar dat de cultuursector “de weg omhoog weer heeft gevonden.” De inkomsten en het culturele aanbod nemen weer toe en de publieke belangstelling groeit weer (vooral bij musea en filmtheaters). Wat de Cultuurindex niet laat zien is de manier waarop de kosten zijn verdeeld. Wie zich daarin verdiept (zie bovenstaand staatje, ontleend aan de kengetallen van brancheorganisaties) ziet door de jaren heen een trend van stijgende huisvestingslasten en marketingkosten en dalende programmeringsbudgetten, vooral bij schouwburgen, concertzalen en bibliotheken.

 

Velen in de sector kennen de Wet van Baumol: cultuur wordt relatief duurder doordat de arbeidsproductiviteit er minder stijgt dan in andere sectoren. Maar we moeten ook de Wet van de Bouwdrift onderkennen: veel wethouders en raadsleden zijn bereid om te investeren in mooie cultuurgebouwen in het centrum van met leegstand kampende steden. Maar uit het oog wordt verloren dat hierdoor de huisvestingslasten alsmaar stijgen en organisaties met hun programmeringsbudgetten krap komen te zitten.

 

Ook een aspect van de Wet van Bouwdrift is de neiging om vooral grote, multifunctionele gebouwen neer te zetten. Op het oog efficiënt (organisaties kunnen backoffice-kosten delen), maar in de praktijk vaak kostbaar vanwege de complexiteit van de bouw, het gebruik en het beheer. Een voorbeeld is te zien in Arnhem: vier organisaties die te kampen hadden met subsidiekortingen en terugloop in publieke interesse (bibliotheek, kunstencentrum, volksuniversiteit en erfgoedcentrum) moesten daar in de crisisjaren het spikplinternieuwe en architectonisch fraaie (Neutelings Riedijk Architecten) gebouw Rozet gaan bewonen. De gevolgen voor de exploitaties lieten zich voelen: alle organisaties kwamen financieel onder zware druk te staan.

 

Nederland heeft zeven jaar economische recessie gekend, maar de culturele gebouwen hebben er nog nooit zo mooi bijgestaan als nu. En hebben nog nooit zo zwaar gewogen op de begrotingen van de organisaties. Het is zaak dat steden opnieuw gaan nadenken over het nut en de functie van culturele gebouwen en over wat ze mogen kosten. Die kosten beginnen namelijk buiten proportie te raken voor een sector die is verarmd. Bovendien is de inhoudelijke ontwikkeling van de kunsten er een ‘van binnen naar buiten’: steeds minder in gebouwen en zalen, steeds mee op spannende locaties, tijdens festivals of bijzondere gelegenheden.

reacties  0 reacties reageren

Oplossingen voor theaters in middelgrote steden

06-09-2017 11:21

 

Er kwamen meer dan 4.000 clicks op ons artikel over london-theatres denim

de programmatische problemen van theaters in middelgrote gemeenten (zie: Eerste Hulp Bij Culturele Ontwikkeling). Interessante inhoudelijke reacties ontvingen we van diverse kanten, o.a. van Arjen Berendse en Cees Langeveld. Berendse stelde onder meer dat de door ons genoemde punten gelden voor alle theaters, maar dat juist de theaters in kleinere gemeenten sneller reageren op veranderingen. Cees Langeveld wees op het belang van het goed onderbouwen van beweringen en signaleerde een aantal tegentendensen, zoals nieuwe producenten die met grote producties rondreizen, de demografische ontwikkelingen (oa de groei van het aantal kapitaalkrachtige senioren) en gemeenten die de subsidie juist hebben verhoogd.

 

Tips & tricks

Voor de zomer kondigden we aan een vervolg te schrijven over wat theaters kunnen doen om hun positie te versterken. Puntsgewijs (organisatie, de programmering en de publieksbetrokkenheid) geven we hieronder de tips & tricks. De laatstgenoemde tips vinden we de belangrijkste.

Organisatie

  1. Zet meer vrijwilligers en freelancers in, in plaats van vaste medewerkers (inflexibele personeelsinzet door cao-afspraken). Met name met de inzet van vrijwilligers kunnen theaters meer doen. Zie het voorbeeld van de poppodia;
  2. Bevorder loopbaanontwikkeling en zeker ook de diversiteit van de medewerkers. Er is een grote behoefte aan meer mobiliteit;
  3. Besteed de exploitatie geheel of gedeeltelijk uit aan een andere (culturele) exploitant; een partij die bovenlokaal werkt, de markt kent en schaalvoordelen weet te realiseren.
  4. Vraag de eigenaar van het gebouw te kijken naar de manier van afschrijven van het gebouw. Afschrijvingen pakken lager uit over een langere periode (bijv. 40 in plaats van 30 jaar). Ook kan de afschrijving plaatsvinden op basis van restwaarde in plaats van naar nul. Een andere optie is de boekwaarde van het gebouw naar beneden bij te stellen. Een combinatie van deze opties is natuurlijk ook mogelijk.

Programmering

  1. Laat een programmeur voor meerdere theaters tegelijk werken en bespaar zo kosten. Denk aan samenwerking met een theater in de regio of met een impresariaat;;
  2. Geef plaatselijke makers – amateurs, semi-profs en professionals – een kans. Dit vergroot de binding met de omgeving;
  3. Koppel voorstellingen aan actuele thema’s of lokale verhalen en werk hierbij zo mogelijk samen met lokale makers. Op basis van deze verrijkende context kunnen podia een ‘vibe’ in de stad creëren.
  4. Maak als podia langjarige afspraken: met elkaar, met makers uit de regio en met de overheden. Podia en gezelschappen kunnen elkaar op verschillende manieren ondersteunen. Bijvoorbeeld door regionale producties en samenwerkingen op ‘prime time’ te programmeren in de culturele agenda. Of door een gezamenlijk festival op te zetten;
  5. Podia bezitten waardevolle data over hun klanten; werk samen met andere culturele organisaties in de stad om informatiemuren te slechten.
  6. Collectieve cultuurpromotie kan een uitkomst bieden: samen thema’s en programma’s bedenken, samen aan festivals werken en samen het publiek benaderen met informatie. Juist door de krachten te bundelen – zowel op inhoudelijk als praktisch vlak – kunnen podia breken met verouderde praktijken.

Publiek

  1. Laat publieks- en doelgroepen zelf programmeren en bezoekers werven (zie het voorbeeld van de schouwburg in Deventer). Dit is voor de toekomst het belangrijkste punt. De schouwburg is dan behalve podium ook een plek waar voorstellingen worden ontwikkeld; het podium wordt dan opnieuw de belangrijkste culturele ontmoetingsplaats in de stad. In Deventer worden groepen inwoners en initiatiefnemers uitgenodigd om zelf programma’s en voorstellingen te realiseren. Dit leidt tot een vorm van participatie en eigen verantwoordelijkheid. Op die manier komen nieuwe presentatie- en festivalvormen tot stand en worden publieksgroepen bereikt die voor de eerste keer kennismaken met het theater.
  2. Nb: dit werkt alleen als vaker wordt afgeweken van traditionele werkwijzen, benaderingen, presentatievormen ed.

Wie is de gids?

Wat dit laatste betreft nog het volgende. Zoals we de vorige keer al schreven is de gidsfunctie van het theater en zijn directeur grotendeels verdwenen; het publiek heeft een keuze uit tal van culturele evenementen (waaronder de festivals en locatievoorstellingen), en kiest niet au fond voor een voorstelling in een donkere zaal. Hetzelfde geldt voor de gidsfunctie van de theaterkritiek; ooit was de kunstkritiek de belangrijkste schakel tussen het culturele aanbod en het publiek, maar dat is verleden tijd. Daarnaast hebben gedrukte media aan omvang en betekenis ingeboet. Dit hangt samen met de verandering die zich bij het publiek heeft voltrokken: niet langer laten kunstliefhebbers zich leiden door de voorkeur van een theatercriticus of door de programmering van de schouwburg: de consument is volwassen geworden en maakt eigen keuzes.

 

Community building

Het publiek kiest op basis van hybride voorkeuren die vele malen moeilijker te beïnvloeden zijn, dan vroeger. De directe omgeving (de ‘community’) van de bezoeker heeft op dit moment het meeste invloed op de keuzes, zowel offline als online. Verder is duidelijk dat online-media grote invloed uitoefenen. Schouwburgen zullen dus grotere aandacht moeten besteden aan het opbouwen van communities rond de programmering. De belangrijke lessen om rekening mee te houden als het gaat om het opbouwen van een community:

  • Interactie gaat verder dan participatie: echte betrokkenheid van het publiek betekent bijdragen aan programmering en content;
  • Een community is niet statisch, het werkt alleen als dynamische vorm. Daarbij liggen vier factoren aan de basis van iedere community: gevoel van lidmaatschap, gevoel van invloed, vervulling van behoeften en een emotionele connectie;
  • Anonimiteit werkt niet. Het internet staat bol van de marketing; een authentieke opstelling werkt sterk daarin onderscheidend. Met name de meningen van specifieke personen (opinion-leaders op een bepaald terrein) zijn hierbij van belang;
  • Het stimuleren van een goede online discussie vergt een inventieve moderator die de sfeer van een buurtkroeg weet te creëren, waar iedereen zich op z’n gemak voelt en het onderscheid tussen “hogere” en “lagere” kunst niet meer ter zake doet;
  • Serieuze kritiek moet ernstig worden genomen en zowel publiek als privé beantwoord worden;
  • Online en offline vormen twee zijden van dezelfde medaille. Een echt sterke community maken, duurt jaren en lukt alleen door beide kanten optimaal te benutten;
  • Ook interactie offline behoeft structuur: als publiek backstage wordt uitgenodigd, moet dit een duidelijke structuur hebben. Bijvoorbeeld met een inleiding, een nagesprek, een interview, of een mogelijkheid concrete vragen aan te leveren. Actieve moderatie offline werkt heel goed, maar is wel arbeidsintensief.

Met deze punten kunnen theaters werken aan een hernieuwde publieksbetrokkenheid en daarmee aan een goede basis voor de toekomst.

 

Namens BMC | team cultuur & erfgoed

Paul van Oort & Cor Wijn

reacties  0 reacties reageren

De overheid en de kunsten als bondgenoten

17-08-2017 09:14

HEvanGelderHet liefst breng ik de zomer lezend door in de schaduw van een boom. Toen ik in het voorjaar een enquête hield over de belangrijkste publicaties over cultuurbeleid en -management van de afgelopen honderd jaar, kreeg ik enkele verrassende suggesties. Een daarvan kwam van Philomeen Lelieveldt, docent kunst- en mediabeleid aan de Universiteit Utrecht. Zij noemde artikelen van Dr. H.E. van Gelder, getiteld Kunstbemoeiing der gemeentelijke overheid I en II. Met de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht was ik benieuwd naar de inhoud.

 

Sociale taak

Hendrik Enno van Gelder werd in 1906 gemeentearchivaris in Den Haag en was vanaf 1912 ook verantwoordelijk voor het Haags Gemeentemuseum. Onder zijn verantwoordelijkheid werd het gebouw van Berlage gerealiseerd dat in 1935 werd geopend. Van Gelder had verschillende nevenfuncties. Voor hem was het museum een middel om cultuuruitingen voor brede lagen van de bevolking toegankelijk te maken en de mensen tot schoonheidsbeleving te brengen. Hiermee kende hij het museum een 'sociale taak' toe, naast de klassieke conserverende en wetenschappelijke taken.

 

Combine met Boekman

Buiten zijn ambtelijke werk verzorgde Van Gelder publicaties op het vlak van cultuurbeleid en kunsthistorie. Zijn inspiratiebron was de Engelse kunstenaar William Morris met zijn idealen over mens en samenleving. Van Gelder was tijd- en partijgenoot van de Amsterdamse cultuurwethouder Emanuel Boekman. Samen manifesteerden zij zich als pleitbezorgers van meer overheidssteun voor de kunsten. Daar echter waar Boekman dankzij zijn proefschrift (Overheid en kunst in Nederland – 1939) en het gelijknamige kenniscentrum in de herinnering is gebleven (en op de tweede plaats eindigde in mijn enquête over het belangrijkste boek over cultuurbeleid uit de vorige eeuw), is Van Gelder in de vergetelheid geraakt. Ten onrechte, zo bleek mij.

 

Kunstbemoeiing der gemeentelijke overheid deel 1 verscheen in juni 1922, ruimschoots voordat Boekman met zijn dissertatie furore maakte. Het artikel verscheen in het tijdschrift van de VNG en is ook na bijna honderd jaar nog verassend actueel. Van Gelder benadrukt dat kunst een essentiële functie vervult, omdat de groei en bloei van gemeenten niet alleen een materiele (lees: economische) aangelegenheid is, maar ook een ideëel component kent. Volgens Van Gelder is het belangrijk om het scheppend vermogen van mensen aan te spreken en te benutten om zo het leven lichter, harmonieuzer en meer de moeite waard te maken. Hij stelt daarbij dat het karakter van gemeenten wordt bepaald door de creatieve krachten die erin actief zijn.

 

Drie doelen van cultuurbeleid

In de geest van William Morris benadrukt Van Gelder dat het niet goed is het leven louter in materiele (= economische) termen uit te drukken. Er moet ruimte zijn voor expressie en een bewustzijn van schoonheid. In het verlengde hiervan definieert hij wat de doelstellingen van het cultuurbeleid moeten zijn. En wat daarbij interessant is, dat is dat we hier al de drieslag kunnen lezen die we vijftig later terugvinden in de Nota Kunst en Kunstbeleid (1976) van minister Van Doorn, een document dat werd (en wordt) beschouwd als een ijkpunt in het denken over cultuurbeleid. Van Gelder noemde drie motieven voor een krachtig optreden van de lokale overheid:

-     het bewaren van schoonheid uit het verleden (bij Van Doorn: het in stand houden van culturele waarden);

-     het bevorderen van het scheppen van nieuwe schoonheid (Van Doorn: het toegankelijk maken van culturele objecten en manifestaties);

-     het toegankelijk maken voor allen van het genieten van oude en nieuwe schoonheid (Van Doorn: participatiebevordering).

 

Onverminderd actueel

Van Gelder werkte deze elementen uit op een manier die ook nu nog relevant is. Zo benadrukte hij de voorbeeldfunctie van de gemeentelijke overheid, pleitte hij voor een moderne monumentenzorg en zag hij een centrale rol voor de grotere steden op het terrein van de podiumkunsten, mits zij zouden samenwerken en zaken op elkaar zouden afstemmen.

 

Van Gelder zag de overheid en de kunsten als bondgenoten van elkaar. Hij beschouwde het als krachten die samen konden bijdragen aan het welbevinden van mensen, aan gemeenschapsgevoel (‘mienskip’ zeggen ze in Leeuwarden in het kader van Europese Culturele Hoofdstad 2018) en aan materiele en immateriële vooruitgang. Het kan geen kwaad om die visie weer over het voetlicht te brengen nu er over ca. tweehonderd dagen weer gemeenteraadsverkiezingen zijn.

reacties  0 reacties reageren

Programmatische problemen bij theaters in middelgrote steden

07-06-2017 13:57

Uit onze adviespraktijk blijkt: de schouwburgen in de middelgrote

gemeenten (tussenlondon-theatres ca. 45.000 en 100.000 inwoners) hebben het moeilijk. In 2009 zei Cees Langeveld ter gelegenheid van zijn inauguratie als bijzonder hoogleraar in de NRC dat Nederland te veel theaters heeft. Dat wordt meer en meer bewaarheid. Hieronder geven we 10 redenen waarom diverse theaters in middelgrote steden het programmatisch moeilijk hebben. De volgende keer gaan we in op wat de theaters te doen staat. Daarmee is dit artikel het eerste van een tweeluik.

 

1. Stagnerende exploitatiesubsidies

Voor bijna alle culturele organisaties geldt dat sinds de Bankencrisis het subsidieniveau is bevroren. Soms is er ook bezuinigd. Op theaters weliswaar veel minder dan op bibliotheken en kunstencentra, maar in de middelgrote steden hebben ook de schouwburgen vaak moeten inleveren. Ondertussen bedroeg de inflatie sinds 2008 ca. 13% (consumentenprijsindex). Het gevolg: minder geld voor voorstellingen en efficiency-maatregelen in de back office.

 

2. Concurrentie

De vrijetijdsmarkt kent een hele grote concurrentie. Nederlanders hebben het druk en er is maar weinig tijd voor uitgaan. Uit het Continu vrijetijdsonderzoek van het SCP (laatstelijk gehouden in 2013) blijkt dat Nederlanders per week gemiddeld over 47,8 uur aan vrije tijd beschikken. Mediagebruik (vooral: televisiekijken) is met 20,9 uur per week (= 44% van de vrije tijd) de meest gekozen vrijetijdsbesteding. Sociale contacten staan met 7,2 uur p/w op de tweede plaats, het beoefenen van hobby's met 5 uur op de derde plek. Per week zijn Nederlanders verder ruim 3,5 uur voor hun vrijetijd onderweg. Voor uitjes en uitgaan resteert een kleine 5 uur per week.

 

3. Minder gesubsidieerd aanbod

Uit onderzoek De staat van cultuur van de Boekmanstichting en het SCP (2015) blijkt dat – mede door landelijke bezuinigingen - vanaf 2011 een sterke daling in het totale aanbod aan podiumkunstvoorstellingen is opgetreden: ruim 14% minder. De daling van het aantal voorstellingen en concerten was het grootst bij de kleinere podia, de klassieke genres (klassieke muziek, opera, ballet en toneel) en de theaters buiten de Randstad. Het aantal bezoekers daalde mee, maar minder hard.

 

4. Het publiek wil beleving

Alleen ouder publiek gaat nog “uit gewoonte” naar de schouwburg. Jongeren zoeken ‘beleving’, liefst samen met vrienden. Waar vind je de populaire acts van dit moment? Bij festivals en op unieke locaties: Connie Janssen in de Onderzeebootloods, Scapino in de Ferro Dome, Vis à Vis op het strand van Almere, Oerol op Terschelling, de Mattheüs Passionen her en der in het land. Wat opvalt: zelden zijn die unieke locaties in de doorsnee middelgrote stad. En praktisch nooit is de schouwburg - bijvoorbeeld als producent - erbij betrokken.

En als het theater dan wordt bezocht, dan moet dat natuurlijk een belevenis zijn. Het publiek is door de audiovisuele media gewend geraakt aan een hoog kwaliteitsniveau en is daarom kritisch als het gaat om levende kunstuitingen.

Nederlanders gaan daarbij gemiddeld 1 keer per jaar naar een grote productie. Dan moet niet alleen de voorstelling aan alle verwachtingen voldoen, maar ook het gebouw, het parkeren, het personeel, etc. Vroeger bleef de voorstelling op het podium, nu gaan de acteurs en zangers de zaal in, worden rookmachines gebruikt en water, kleur en geur ingezet om de avond tot een succes te maken. Met dineren vooraf en een meet & greet na afloop. Geen zaken waarin de middelgrote schouwburgen voorop (kunnen) lopen.

 

5. De schouwburg heeft zijn ‘gidsfunctie’ verloren

De theaters en hun directeuren zijn niet langer de vanzelfsprekende schakels tussen vraag en aanbod. De traditionele intermediaire taak van de schouwburg is verdwenen: gezelschappen regelen zelf een speelplek, makers zoeken direct contact met publiek, publiek zoekt op internet zelf uit waar het heen wil en koopt als het interesse heeft zijn tickets online – inclusief de optie om het gebodene gewoon vanaf de tablet te consumeren. Het publiek laat zich steeds minder leiden door het seizoensprogramma van een instelling en laat zich minder beïnvloeden door het vanzelfsprekende gezag van kenners en instituties.

 

6. De musicals reizen niet meer

Nadat eerder al vrije (musical)producenten als Mark Vijn en EJB Entertainment failliet gingen, waren recent de ontwikkelingen bij Stage Entertainment zorgelijk. Het is de vraag of in de toekomst nog groot gemonteerde musicals op tournee gaan. Waarschijnlijker is dat het aanbod van grote musicals definitief geconcentreerd wordt bij enkele grote vaste podia zoals het Beatrix Theater in Utrecht en het Circustheater in Den Haag.

 

7. Bekende cabaretiers zijn kieskeurig

Al decennia programmeren de theaters steeds meer ‘amusement’ en de explosie van cabarettalent in de afgelopen 25 jaar is daaraan mede te danken. De bekende cabaretiers zijn zeer gewild en hebben het daarom voor het uitzoeken. Zij kiezen bij voorkeur voor grotere zalen in grotere steden en laten de regio en de kleinere gemeenten in toenemende mate links liggen.

 

7. Anti-roem cultus

De cabaretiers danken hun succes mede aan hun bekendheid van tv en internet. Maar hoe staat dat met andere theatermakers? In reactie op een artikel van Sarah Sluimer in de Volkskrant van 8 mei jl. wijst Wijbrand Schaap erop dat het publiek in de eerste plaats komt voor acteurs die bekend zijn van tv, van internet, uit de bladen of van eerdere voorstellingen. Omdat de gemiddelde theatermaker echter weinig moet hebben van commercie en publiciteit, treedt er een discrepantie op. Schaap stelt dat in het Nederlandse theater een anti-roem cultus is ontstaan en dat daardoor het publiek zijn interesse heeft verloren. Dit kan een rol spelen in de middelgrote steden, waar het publiek minder sophisticated is. Daar willen de toeschouwers in toenemende mate acteurs zien met wie ze voor die ene avond een innige relatie aan kunnen gaan. De dingen die theatermakers belangrijk vinden (het verhaal, de boodschap, het decor) vinden zij in toenemende mate bijzaak…

 

9. Minder intrinsieke interesse

Al enkele jaren loopt de belangstelling terug voor amateurverenigingen en voor lessen bij kunstencentra, toch vaak de basis voor culturele belangstelling. Van 2007 tot 2011 liep bijvoorbeeld het percentage regel­matige beoefenaars van amateurkunst van 16 jaar en ouder terug: bij het bespelen van een instrument van 12% naar 10% van de bevolking, bij theater van 14% naar 10% en voor beelden­de kunst van 21% naar 16%. Let wel: deze daling ging vooraf aan de bezuinigingen door de gemeenten. De Cultuurindex rapporteerde over de gehele linie in de periode 2007 – 2013 een teruggang van ca. 7% in actieve kunstbeoefening. Het is mogelijk dat de geleidelijke terugloop demografische oorzaken heeft (ontgroening en vergrijzing), iets wat in de middelgrote steden meer speelt dan in de hbo- en universiteitssteden.

 

10. Bevolkingskrimp

En over demografie gesproken: in Zeeuws-Vlaanderen, de Achterhoek, delen van Zuid-Limburg en Noord- en Oost-Groningen krimpt de bevolking met 16% tot 2040. De theaters die daar liggen zien hun voedingsgebied slinken. Daarnaast zijn er gebieden waar de bevolking nu nog niet daalt, maar in de toekomst wel. Daar daalt het aantal inwoners tot 2040 naar verwachting met 4%. We hebben het dan over onder andere Noord-West en Zuid-Oost Friesland, Oost-Drenthe, de Kop van Noord-Holland, de Krimpener en Hoeksche Waard en over Noord- en Midden-Limburg. Middelgrote gemeenten en theaters in die gebieden doen er verstandig aan om tijdig op de ontwikkelingen te anticiperen.

 

Paul van Oort & Cor Wijn

reacties  0 reacties reageren

Lokaal cultuurbeleid in Vlaanderen en Nederland

01-05-2017 08:25

9789463370141_frontIn Vlaanderen spelen dezelfde thema’s als in het Nederlandse cultuurbeleid. Maar de manier waarop de zaken zijn georganiseerd is behoorlijk anders. Dat is mijn voornaamste conclusie na het lezen van Miek de Kepper’s boek over 50 jaar lokaal cultuurbeleid in Vlaanderen: Over Bach, cement en de postbode. Het boek is een doorwrochte beleidsgeschiedenis waarin laag voor laag de Vlaamse bestuurlijke patronen van de afgelopen decennia worden afgepeld.

 

Motieven voor cultuurbeleid

Het hart van het lokale cultuurbeleid in Vlaanderen wordt gevormd door de bibliotheken en de cultuur- en gemeenschapscentra. Zij zijn het meest wijd verspreid en het meest stevig in de lokale samenlevingen verankerd. Andere culturele voorzieningen (musea, muziekscholen, muziekpodia) zijn er wel, maar vooral in de grotere steden en vaak gefinancierd door de Vlaamse overheid. Het boek laat zien dat de verzuiling in Vlaanderen langer van invloed is geweest dan in Nederland. Hierdoor hebben het bevorderen van emancipatie en sociale samenhang in Vlaanderen tot op heden centraal gestaan in het cultuurbeleid, terwijl in Nederland andere motieven (schoonheid, kwaliteit, economische ontwikkeling) al sinds de jaren tachtig ook belangrijk zijn.

 

Lokale autonomie

In Vlaanderen komt het boek op een moment dat er grote veranderingen optreden in het cultuurbeleid. Nu de verzuilde samenleving na een fase van pluralisme is geëvolueerd tot een maatschappij die wordt gekenmerkt door wat De Kepper - ontleend aan Jan Blommaert - aanduidt met superdiversiteit, geeft de Vlaamse overheid ruimte voor meer lokale pluriformiteit. De geoormerkte subsidies zoals voor cultuur worden geïntegreerd in het Gemeentefonds en de Vlaamse gemeenten worden volledig autonoom in de besteding van de gelden. Daarmee vervalt tevens de verplichting om een bibliotheek in stand te houden. Voor Vlaanderens is het spannend hoe dit zal uitpakken: leidt dit tot ‘uitgaven voor lantaarnpalen’? En tot sluiting van bibliotheken? Of blijkt het draagvlak voor cultuur op lokaal niveau stevig genoeg?

 

Politieke betrokkenheid

Er wordt naar Nederland gekeken om te zien hoe de grote autonomie voor de gemeenten hier heeft uitgepakt. Echter, de vergelijking zal slechts gedeeltelijk kunnen opgaan, want op één belangrijk punt verschilt Vlaanderen sterk van Nederland en dat betreft de betrokkenheid van de politiek bij de culturele organisaties. Waar in Nederland het culturele veld is georganiseerd in private stichtingen die een subsidierelatie onderhouden met de gemeente, daar vormen in Vlaanderen veel culturele organisaties een integraal onderdeel van de gemeente. En als ze een private vorm hebben (de vzw), dan zijn ze toch tamelijk innig met de gemeente verweven. Een kenmerk van deze constellatie is dat de cultuurprofessionals de status van ambtenaar hebben en dat politici zich soms bemoeien zich met het reilen en zeilen van het culturele bedrijf. Een ander kenmerk is dat de betrokkenheid van de politiek aanzienlijk is, waardoor er minder op cultuur wordt bezuinigd als in Nederland. De keerzijde hiervan is echter dat vernieuwingen (die vaak onder druk tot stand komen) in Vlaanderen trager tot stand komen dan bij ons. De tijd zal leren waar het lokale culturele leven straks het meest bloeiend is: in Vlaanderen waar vernieuwingen hun tijd nodig hebben, of in Nederland waar autonome gemeenten eerder de neiging hebben om veranderingen af te dwingen.

reacties  0 reacties reageren

'Schoonheid, welzijn, kwaliteit' het belangrijkste boek over cultuurbeleid

16-04-2017 21:26

Boek OosterbaanUit een enquête die ik recent hield, blijkt dat het boek Schoonheid, welzijn, kwaliteit uit 1990 van Warna Oosterbaan wordt beschouwd als het belangrijkste boek over cultuurbeleid van de afgelopen honderd jaar. Op de tweede plaats eindigde Overheid en kunst in Nederland van Emanuel Boekman (1939), derde werd Een economie van de kunsten van Hans Abbing (1989).

 

In februari van dit jaar benaderde ik vijfentwintig wetenschappers en beleidsbepalers met de vraag naar de belangrijkste boeken over cultuurbeleid en cultuurmanagement van de afgelopen honderd jaar. Oosterbaan had net iets meer pleitbezorgers dan Boekman.

 

Kunstbeleid en verantwoording

Oosterbaan (die we de laatste decennia kennen als redacteur van NRC Handelsblad en als bijzonder hoogleraar Journalistiek en Samenleving aan de Erasmus Universiteit) baseerde zijn boek Schoonheid, welzijn, kwaliteit. Kunstbeleid en verantwoording na 1945 in belangrijke mate op een onderzoek dat hij in het midden van de jaren tachtig deed in opdracht van het ministerie. De studie gaat over het kunstbeleid van de rijksoverheid na de Tweede Wereldoorlog. Centraal staan de twee soorten problemen waarmee de overheid te kampen heeft en vooral hoe zij daarmee omgaat. De eerste hoofdstukken gaan over de legitimering van de rijksoverheidsuitgaven voor de kunst, de latere hoofdstukken over de toewijzingscriteria voor kunstsubsidies.

 

Boekman, niet voor niets de naamgever van het kenniscentrum voor kunst, cultuur en beleid, eindigde kort achter Oosterbaan. Boekman was opgeleid als typograaf en was van in de jaren dertig tweemaal wethouder in Amsterdam voor de SDAP. In 1939 promoveerde hij op het proefschrift Overheid en kunst in Nederland. Zijn studie bestaat uit een overzicht van de verhouding tussen overheid en kunst in de 19e en 20e eeuw en een visie op het toekomstig cultuurbeleid van rijk en gemeenten, waarbij twee zaken voor hem belangrijk waren: het verheffen van het volk via de kunsten en het geven van opdrachten voor kunst bij bouwwerken.

 

Misschien verassend is de derde plek voor Een economie van de kunsten (1989) van Hans Abbing. Dit boek eindigt voor Roel Pots (met het historische overzicht Cultuur, koningen en democraten uit 2000) en de verzamelde opstellen van Jan Kassies: Op zoek naar cultuur (1980). Abbing besteedt aandacht aan de problematische verhouding tussen de kunsten en de economie. Daarbij komen de opleiding van de kunstenaar, de aantrekkingskracht van het beroep, zijn positie op de arbeidsmarkt en de oorzaken van de beperkte werkgelegenheid uitgebreid aan bod.

 

Cultuurmanagement

Op de vraag naar de belangrijkste Nederlandse publicaties van de afgelopen honderd jaar kwamen niet alleen antwoorden die op het cultuurbeleid betrekking hadden. Er werden ook boeken genoemd op het gebied van het cultuurmanagement. Die top 5 luidt als volgt:

  1. Annick Schramme (red) - Cultuurmanagement. De regels van de kunst, 2011
  2. Giep Hagoort - Art Management Entrepreneurial style, 2004
  3. Annick Schramme (red.) - Geld & Cultuur: Cultureel ondernemerschap in financieel moeilijke tijden, 2013.
  4. Annet van der Zee (red)- Management voor de Culturele sector, 2011
  5. Ruurd Mulder - De kunst van cultuurmarketing, 2008.

Een volgende keer meer aandacht voor het vakgebied van het cultuurmanagement, dat duidelijk pas in de afgelopen decennia tot wasdom is gekomen.

 

reacties  0 reacties reageren

Oproep aan de politiek: doe weer aan kunstenaarsbeleid

04-03-2017 10:51

Het is hard nodig dat de politiek in Nederland weer aan kunstenaars-

beleid gaat doen. Vorig jaar bleek uiArtist at workt een arbeidsmarktverkenning van SER en Raad voor Cultuur dat de creatieven zwaar zijn geraakt door de crisis. Vaste banen verdwenen, inkomsten daalden en het aantal zelfstandigen steeg fors. Zo’n 60% van alle kunstenaars werkt tegenwoordig als zelfstandige, daarbij vaak meerdere kleine banen combinerend. WW- en bijstandsuitkeringen komen onder kunstenaars aanzienlijk vaker voor dan onder de gehele beroepsbevolking. Alle reden om hiervan een politiek speerpunt te maken. Een nieuw kabinet kan echt iets doen.

 

Een tijdelijk basisinkomen voor creatieven

De politieke partijen zijn het momenteel over weinig met elkaar eens, maar wel over een ding: het is cruciaal om de innovatiekracht van Nederland te versterken. Om innovatie en ondernemerschap te bevorderen zou het een goed idee zijn een proeftuin in te richten voor het basisinkomen dat wel wordt bepleit: maak een regeling voor vijf jaar die geldt voor startende creatieven. Tenslotte worden er in Nederland door NOC*NSF meer dan 400 stipendia toegekend aan sporters: zou het dan niet logisch zijn om ook de kunstenaars gericht te ondersteunen?

 

Om direct als ondernemer te kunnen starten hebben kunstenaars soms hulp nodig. Het begin gaat namelijk met vallen en opstaan, niet iedereen heeft direct een volledig renderende beroepspraktijk. De overheid kan creatieve starters die nog onvoldoende verdienen helpen door hen een keuze te bieden: ofwel je volgt de weg van de ‘normale’ bijstand, je krijgt een uitkering op het sociaal minimum en je moet solliciteren. Ofwel je volgt vijf jaar lang de weg van het basisinkomen en je gaat op weg naar creatief ondernemerschap.

Het basisinkomen voor creatieven kan op ca. 70% van de bijstandsuitkering worden gelegd. Dat is lager dan het sociaal minimum, maar de regeling heeft voor de startende ondernemer twee voordelen: met het basisinkomen hoeft hij niet te solliciteren en bovendien mag het inkomen met eigen inkomsten worden aangevuld.

 

Als ondernemer aan de slag

Veel creatieven willen van meet af aan als ondernemer aan het werk. Ze hebben basiswaarden waarmee zij zich onderscheiden van anderen. Zo hebben creatieve werkers een sterke voorkeur voor een lossere leefstijl: zij conformeren zich niet graag aan werkgevers of instituten. Daarnaast waarderen creatieven de inhoud van hun werk erg. Hard werken leidt tot resultaat is hun overtuiging en dat resultaat manifesteert zich vooral in persoonlijke ontwikkeling en afwisselend werk en niet (alleen) in financiële termen.

 

Het mooie van deze benadering is dat de groep ‘creatieven’ eigenlijk niet eens gedefinieerd hoeft te worden. Zij definieert zichzelf. Immers; bijna niemand kiest aan het begin van zijn loopbaan vrijwillig voor 70% van het sociaal minimum als hij niet het perspectief denkt te hebben op een succesvolle zelfstandige (creatieve) beroepspraktijk. Het vijfjarig basisinkomen kan een rol hebben voor personen met een erkende kunstopleiding (beeldend kunstenaars, fotografen, componisten, dansers, musici, acteurs, ontwerpers e.d.), maar ook eventueel voor creatieve beroepsgroepen als softwareontwikkelaars, reclamemakers, redacteurs, analisten en trendwatchers. Zij zijn namelijk vaak ook op te vatten als creatieve makers, al hebben ze geen kunstacademie gevolgd.

 

Evaluatie na vijf jaar

De politieke partijen willen dat Nederland en Europa transformeren tot de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld. Welnu: het middel om dit te stimuleren ligt binnen handbereik. Ik pleit voor een experiment van vijf jaar, met vooraf gedefinieerd succesfactoren op basis waarvan de politiek na afloop kan beslissen of het is geslaagd.

reacties  0 reacties reageren

Nieuwe initiatieven in de cultuursector: de sleutel tot succes

07-02-2017 10:10

0p-zoek-naar-metaalHet is 25 jaar geleden dat het begrip cultureel ondernemerschap werd gemunt. Het concept werd geïntroduceerd door Giep Hagoort (toen lector Kunst en Economie aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht). Hij gaf zijn boek in 1992 de gelijknamige titel mee. 


Een centrale these in Hagoort’s boek is dat cultureel ondernemerschap staat voor een “radicale en persoonlijke betrokkenheid bij creatieve processen en programma’s”. Met name het adjectief ‘persoonlijk’ heeft mij altijd erg aangesproken. Hagoort stelde dat persoonlijke betrokkenheid nodig is “om onder vaak zeer moeilijke omstandigheden de continuïteit van de culturele bedrijfsvoering te kunnen handhaven”. Daarmee definieerde Hagoort passie en gedrevenheid als de belangrijkste bronnen op het gebied van cultureel management. Zij vormen de voorwaarden voor datgene wat volgens hem nog hoger moet worden aangeslagen: cultureel leiderschap.

In onze gebureaucratiseerde wereld is het soms moeilijk om te zien hoe belangrijk passie en gedrevenheid zijn. Toch is het juist de persoonlijke betrokkenheid die ervoor zorgt dat er nu en dan met succes door het ijs van het papierwerk wordt heen gebroken. Vaak is volledige geïnvolveerdheid de enige manier om een nieuw initiatief tot stand te brengen. In de afgelopen jaren, die in het teken stonden van recessie en krimpende (cultuur)budgetten, was dat zeker zo. Het succes van initiatieven kwam vaak dankzij de gedrevenheid van één persoon tot stand. Enkele voorbeelden. 

Erik Graafstal
In Utrecht Leidsche Rijn werd het prachtige Castellum Hoge Woerd gerealiseerd: een combinatie van een archeologisch museum, een theater en een natuur-educatief centrum. Het pand is een moderne interpretatie van een Romeins fort met wallen van zes meter hoog. In de NRC werd de permanente expositie omschreven als spectaculair. De grote inspirator van het Castellum is Erik Graafstal, archeoloog bij de gemeente Utrecht. Als kind liep hij al in het gebied rond, als tiener deed hij er zijn eerste archeologische vondsten en in 2003 groef hij er beroepshalve een compleet Romeinse rivierschip op, uniek voor Noordwest-Europa. In het decennium na 2003 zette hij zich onvermoeibaar in voor de realisatie van het Limes-museum en nu staat dat er. Zonder de inzet van Erik Graafstal was dit juweel er nooit gekomen. 

Jurg, Lammers, Mout, Nijman, Keulemans & Meliani
Ook elders zien we de resultaten van dit soort gedrevenheid. In Enschede waar Wilja Jurg de kunstruimte Tetem succesvol uitbouwde, in Zwolle waar de Yamaha-muziekschool van Eddy Lammers floreert, in Zutphen waar Marco Mout met zijn Kruittoren op een unieke manier het creatieve talent aanspreekt van jongeren die zijn vastgelopen en in De Achterhoek waar de Zwarte Cross vanaf de eerste editie (1.000 bezoekers) dankzij “Tante” Rikie Nijman uitgroeide tot een evenement van 220.000 bezoekers. En vermeldenswaard is natuurlijk ook de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord. Alleen dankzij een jarenlange inzet van Chris Keulemans en Touria Meliani lukte het in 2014 eindelijk om de deuren te openen. En kijk eens: nu is het de culturele hotspot van de hoofdstad, met een popzaal, expositieruimte, dansstudio’s en horeca. 

Rob Scholte in Den Helder
Aparte vermelding verdient Rob Scholte. Hij vestigde in 2013 een museum in het voormalige postkantoor van Den Helder en gaf de Nederlander daarmee een reden om die stad te bezoeken. In no time toverde Scholte oa bijna 1500 m2 aan verwaarloosde kelderruimte om in een fraaie lichte expositieruimte. Een gigantische klus, waar drie maanden lang met man en macht aan werd gewerkt. Scholte stond met zijn eigen kunst-collectie garant voor het nieuwe museum, vroeg geen cent subsidie en betaalde alles uit eigen zak. En dat in een krimpende provinciestad die te kampen heeft met grote winkelleegstand, malaise en werkeloosheid. En nu blijkt dat de gemeente deze passie wil smoren en zich van zijn meest onbetrouwbare kant laat zien. Graag sluit ik dit blog af met een oproep: steun Scholte’s strijd tegen de middelmatigheid op: http://robscholtemuseum.nl/open-brief-aan-het-college-van-b-w-den-helder-over-het-rob-scholte-museum/

reacties  0 reacties reageren

Nieuw cultuurbestel: multiplier-effecten via matchingsconstructies

07-02-2017 10:04

De Raad voor Cultuur wil forse ingrepen in het beleid, zo konden we recent lezen. Het artikel van directeur Jeroen Bartelse in de Boekman van december nodigt uit tot nadere ideeënvorming. Graag doe ik een concrete suggestie: benut het meest succesvolle aspect van de cultuursubsidiering van de afgelopen decennia, namelijk de co-financiering, en kom tot regionaal werkende, discipline-overstijgende fondsen waarin rijk, provincies en grotere steden participeren.  

Als iets heeft bewezen van grote waarde te zijn in de culturele sector, dan is het wel de gezamenlijke financiering van initiatieven en instituties. Telkens weer blijkt dat samenwerking tussen overheden niet alleen een afweermechanisme vormt tegen bezuinigingen, maar ook een vliegwiel is voor extra inspanningen. Overheden zijn namelijk net mensen: ze willen niet voor elkaar onder doen en spiegelen zich graag aan elkaar. Het gevolg hiervan is dat organisaties die onderdeel uitmaken van een cultuurconvenant (bv tussen rijk en G4-gemeente) vaak goed zitten, dat grote projecten zoals ‘Culturele Hoofdstad van Europa’ altijd door meerdere overheden worden gedragen en dat succesvolle initiatieven als het Jheronimus Bosch-jaar een veelheid aan financiële bronnen kennen.

Regionale fondsen, aangestuurd door de overheden
Bartelse noemt in zijn artikel twee belangrijke redenen voor wijziging van het cultuurbestel: (1) overheden werken elk met een eigen agenda waardoor geldstromen elkaar niet kunnen versterken en (2) het aanbod laat zich steeds lastiger in subsidiehokjes stoppen. De belangrijkste verandering die wordt voorgesteld is het omdraaien van de beleidscyclus. Kort getypeerd: stedelijke regio’s moeten met plannen komen, het rijk kan die vervolgens matchen. Een aardig idee, maar niet voldoende als het betekent dat er twee momenten (en twee gremia en dus twee sets van criteria) blijven bestaan voor het beoordelen van de plannen. Veel beter is het om te komen tot vier of vijf regionale fondsen die worden gevoed en aangestuurd door rijk, provincies en grotere steden samen.

 

De centrale gedachte van dergelijke regionale fondsen is dat de beantwoording van de vraag wat wel en niet wordt gesubsidieerd door de betrokken overheden samen wordt gedaan. Of beter gezegd: door een advieslichaam dat door die overheden in het leven is geroepen. Belangrijk is dat dan niet alleen het criterium ‘artistieke kwaliteit’ (te beoordelen door experts) wordt gehanteerd, maar dat - in de geest van het recente boek van Claartje Bunnik (Naar waarde gewogen) – ook maatschappelijke kwaliteit (te beoordelen door stakeholders, partners en publiek) als factor wordt meegewogen.

 

Met deze fondsen kan een basisinfrastructuur in stand worden gehouden die per regio kan verschillen. En kunnen accenten worden gezet die per stad anders zijn. En zelfs kan worden overwogen om de bestaande landelijke, disciplinegerichte fondsen op te heffen en te laten opgaan in breed georiënteerde regionale cultuurfondsen. Het voordeel hiervan zou zijn dat de afstemming tussen meerjarige subsidies, een- of tweejarige subsidies en projectsubsidies in één hand komt en daarmee de onderlinge wisselwerking (en de doorstroming) wordt versterkt.

 

Stedelijke wedijver leidt tot meer geld voor cultuur
Als het om cultuur gaat ben ik een groot voorstander van competitie tussen steden en regio’s. Onderlinge wedijver leidt tot meer inspanningen en interessantere producties. De competitie wordt groter als steden het gevoel hebben dat ze met een bepaalde financiële inzet het verschil kunnen maken. Nu hebben ze dat gevoel slechts zelden. Maar als er matchingsconstructies kunnen worden gemaakt waarbij de eigen financiële inzet als multiplier gaat werken, zal dat veranderen. Het is mijn overtuiging dat meer wedijver tussen steden en stedelijke regio’s zal leiden tot meer geld voor cultuur. Je ziet nu al dat steden in cultuur investeren om bewoners vast te houden en bedrijven aan te trekken. In de toekomst zullen steden dergelijke extra inspanningen ook doen als ze daarmee co-financiering door rijk en provincie kunnen realiseren.

reacties  0 reacties reageren

Commissie Bibliotheekstelsel schermt ten onrechte met veelheid aan opties

07-02-2017 09:51

adviesgerritsenVorige week verscheen een advies van de “Commissie Toekomst Lokaal Bibliotheekbestel”, een commissie ingesteld door de Koninklijke Bibliotheek. Het rapport (getiteld Van boekenbewaarplaats naar vitale schakel), schetst vier scenario’s voor lokale bibliotheken. De scenario’s zijn aardig gevonden, maar de handelings-perspectieven die eruit voortvloeien vind ik er erg abstract en vooral: te talrijk. Ze geven de illusie dat er door bibliotheken en gemeenten veel te kiezen valt. Maar is dat wel zo?
 
Scenario’s schetsen werelden waarin organisaties terecht kunnen komen, maar waarop ze zelf geen invloed hebben. Wie vaker scenario's maakt, weet dat het daarna zaak is beleidsvarianten te ontwikkelen: concrete stappen waarmee in dit geval de bibliotheek kan reageren op de verwachte wereld. In plaats van de abstracte perspectieven van de commissie moeten ze mijns inziens zo concreet mogelijk worden geformuleerd. Dan kan bijvoorbeeld het volgende beeld ontstaan:

 

Scenario   Maatschappelijk 
 draagvlak
Wat gebeurt     
met de subsidie?
Beleidsvariant
1 Blijft Blijft Van collectie naar connectie
2 Daalt Daalt Accent op schoolbibliotheken
3 Kalft af Kalft af Versobering en vrijwilligerswerk
4 Verdwijnt Verdwijnt De digitale bibliotheek
5 Verschilt per gemeente of kern Verschilt per gemeente De ondernemende bibliotheek


De meeste bibliotheken hebben weinig keus 
Geconfronteerd met zo'n beeld zullen veel bibliotheken buiten de grotere steden (waar "van collectie naar connectie" nog een reële optie is) kiezen voor de optie van ‘de ondernemende bibliotheek.’ Kort getypeerd: lokaal samenwerken met partnerorganisaties, nieuwe wegen in slaan, initiatieven in het sociaal domein, vaste kosten terugdringen, zoeken naar flexibele huisvestingsconcepten, zoeken naar flexibele personeelsarrangementen, hoofdkantoor met zelfsturende teams, de doelgroepen opzoeken waar ze zich bevinden. Samen te vatten als: minder aandacht voor boeken en meer voor burgers. 
Waar het bij de adviescommissie lijkt alsof er nog vele smaken zijn, valt dit in de praktijk dus erg tegen. En dat is mijn grootste bezwaar tegen het rapport: er wordt geschermd met een veelheid aan opties, terwijl de bibliotheken in feite niet zo veel keus hebben. Het was beter geweest dat ook te benoemen.

reacties  0 reacties reageren

Een ramp voor winkeliers, maar een kans voor kunst & cultuur

12-12-2016 11:23

christmas-shopping-1088186_960_720Er wordt voorspeld dat 12 december de dag is met de grootste piek in online omzet van het jaar: € 117 miljoen. Dit jaar groeien de online december-aankopen waarschijnlijk met 13 % ten opzichte van 2015. Ze komen uit op € 5,1 miljard. Een teken dat het shoppen steeds meer op internet plaatsvindt. Nog zo’n indicator: vorig jaar kocht 68% van de mensen cadeaus voor de feestdagen via internet, dit jaar ligt dit percentage op 72%. Deze ontwikkeling is een ramp voor winkeliers, maar een kans voor kunst en cultuur. Hieronder leg ik uit waarom.

 

Winkelstraten kampen steeds meer met leegstand en in krimpgebieden vechten kleine kernen tegen bevolkingsdaling en het verdwijnen van voorzieningen. Culturele organisaties zoals bibliotheken, kunstencentra, filmhuizen et cetera kunnen hier uitkomst bieden. Met een scala aan activiteiten en een laagdrempelige toegang kunnen zij zorgen voor reuring en dienstverlening.

 

Goed nieuws voor gemeenten

Gemeentebesturen zoeken nijver naar manieren om de bevolkingsdaling te dempen en de gevolgen van online winkelen tegen te gaan. Ze zoeken impulsen voor hun winkelstraten en substituten voor voorzieningen die al zijn verdwenen: de detailhandel, de horeca, het buurthuis, het bankfiliaal, het postkantoor. Voor deze gemeenten is er goed nieuws: culturele organisaties zijn tegenwoordig breed georiënteerd, kijk bijvoorbeeld naar de openbare bibliotheek. Die doet inmiddels veel meer dan alleen boeken uitlenen. Op allerlei manieren werkt zij aan de persoonlijke ontwikkeling van mensen. Zij leent nog steeds fysieke boeken uit, maar organiseert daarnaast lezingen, zorgt voor taallessen, heeft een cursusaanbod, helpt mensen die niet digivaardig zijn, bestrijdt laaggeletterdheid, ondersteunt vluchtelingen en biedt werk- en studieplekken voor jong en oud.

De bibliotheek doet dit niet alleen. Er wordt samengewerkt met organisaties als het UWV, het COA, de welzijnsorganisatie, het Zorgloket ed. Op steeds meer plekken ontpopt de bibliotheek zich als een plek waar bewoners moeten zijn om zich als burger te kunnen ontwikkelen en manifesteren. Daarbij ondersteunt de bibliotheek mensen op allerlei manieren, wat vaak gebeurt door vrijwilligers. Zij zijn het die het lezen op de basisscholen bevorderen, die boeken bij ouderen langs brengen, die mensen leren hun belastingformulier te uploaden of die als taalmaatje een vluchteling helpen met Nederlands.

 

Sociale motor

En waartoe leidt dit? Tot bibliotheken maar ook kunstencentra en andere multifunctionele culturele voorzieningen waar het een komen en gaan is van mensen die koffie willen drinken, de krant willen lezen, willen studeren, een vergunning moeten aanvragen (het digiloket), een bijeenkomst willen bijwonen, de taal willen leren, een baan zoeken, een adviseur willen raadplegen. Waarbij het een prachtig gegeven is dat al die culturele instellingen een neutrale plek zijn waar je zomaar naar binnen kunt gaan zonder dat iemand er iets van denkt of vindt. Iedereen mag er zijn en niemand die iets van je moet. Geen wonder dat ze zo’n aantrekkingskracht hebben.

Gemeenten doen er goed aan om hiermee strategisch om te gaan. Culturele initiatieven hebben de potentie om de reuring terug te brengen in winkelstraten die wegkwijnen en in stadskernen die uitdoven. De gemeente hoeft daarvoor maar twee dingen te doen: een centraal gelegen gebouw (liefst een pand met uitstraling) beschikbaar stellen en de culturele organisatie aansporen om zich met behulp van vrijwilligers en partners te ontpoppen als sociale motor. Culturele organisaties maken een woongebied interessant en levendig. En tegelijkertijd kunnen zij een belangrijke samenbindende functie vervullen voor de lokale bevolking als plek van ontmoeting, contact en uitwisseling: belangrijk in een tijd waarin individualisering en culturele diversiteit soms leiden tot vervreemding en segregatie.

reacties  0 reacties reageren

Drie zorgen over de stedelijke culturele ontwikkeling

12-12-2016 11:20

Drie zorgen hebben steden die cultuur belangrijk vinden voor de ontwikkeling van hun burgers en hun bedrijfsleven: de hoge huisvestingslasten waar culturele organisaties mee kampen, de grote concurrentie op de vrijetijdsmarkt en het populisme dat ook lokaal wortel schiet.
 Deventer op Stelten3

Gisteren stuurde minister Bussemaker een brief aan de Tweede Kamer als traditionele start van het debat over de Cultuurbegroting (dit jaar op 21 november). De brief gaat vergezeld van de publicatie ‘Cultuur in Beeld’, waarin feiten en cijfers staan over de ontwikkelingen in de culturele sector. In de brief benoemt de minister de zorgen: over het publieksbereik van de kunsten, over de spreiding van cultuur over het land en over de arbeidsmarktpositie van kunstenaars. 

Voor de steden zie ik echter drie andere zorgen.

Op één: de kosten van het culturele vastgoed. We zien de ontwikkeling dat op de begroting van culturele organisaties de huisvestingscomponent steeds belangrijker wordt, ten koste van het programmabudget. Nederland heeft zeven jaar economische recessie gekend, maar de culturele gebouwen hebben er nog nooit zo mooi bijgestaan als nu. En hebben nog nooit zo zwaar gewogen op de begrotingen van de organisaties. Het is zaak dat steden opnieuw gaan nadenken over het nut en de functie van culturele gebouwen en over wat ze mogen kosten. Die kosten beginnen namelijk buiten proportie te raken voor een sector die is verarmd. Bovendien is de inhoudelijke ontwikkeling van de kunsten er een ‘van binnen naar buiten’: steeds minder in gebouwen en zalen, steeds mee op spannende locaties, tijdens festivals of bijzondere gelegenheden.

Op twee: de steeds grotere concurrentie in het stedelijk vrije tijdsaanbod. Uit onderzoek van het SCP blijkt dat Nederlanders gemiddeld over 45 uur vrije tijd per week beschikken. Daarvan is maar weinig tijd bestemd voor cultuur en hobby’s. Mediagebruik (lezen, tv, audio, computer) is veruit het meest verkozen tijdverdrijf: ca. 21 uur p/w. Met bezoek aan cultuur, zoals musea, bioscoop of theater is gemiddeld een half uur per week gemoeid. Culturele organisaties moeten dus met steeds meer concurrenten strijden om vrije tijd die steeds schaarser wordt. Dit heeft tot gevolg dat cultureel aanbod dat de aansluiting met de tijdgeest mist, uit de belangstelling raakt. Steden en organisaties die niet tijdig vernieuwen hebben daarmee een probleem.

En op drie: het populisme dat ook op stedelijk niveau wortel schiet. Uit onderzoek en ervaring weten we dat lokale partijen meestal weinig op hebben met kunst en cultuur. Veel lokale partijen vertonen populistische trekjes. Derk-Jan Eppink schreef op 9 november in De Volkskrant over de drieschaar: anti-immigratie, antiglobalisering en anti-establishment die aan het populisme ten grondslag ligt. Deze heeft de Brexit veroorzaakt en de verkiezing van Trump en kent ook lokaal zijn uitingsvormen. Diverse culturele organisaties kampen ermee dat ze door lokalo’s worden weggezet elitair, globalistisch en overheidsafhankelijk. In diverse steden pleitten de lokalo’s de afgelopen jaren voor kortingen op kunst en cultuur met als argument de economische recessie.

Het zou mooi zijn als de minister niet alleen haar Haagse zorgen met de Tweede Kamer bespreekt, maar ook de zorgen die op stedelijk niveau leven.

reacties  0 reacties reageren

Kritisch kijken naar de kosten van culturele panden

23-09-2016 10:53

Woensdag jl. was ik keynotespreker bij een openbaar debat in Apeldoorn over het cultuurbeleid voor de periode 2017-2020. In mijn bijdrage zoomde ik onder meer in op een m.i. cruciaal zinnetje in de concept-cultuurnota van de gemeente: “Ongeveer de helft van de gemeentelijke subsidie voor de vier grote instellingen zit in huisvestingslasten, en die zijn nauwelijks beïnvloedbaar.”

Waar ik op aansloeg betrof twee dingen. In de eerste plaats de omvang. In Apeldoorn gaat het om € 12 mln. subsidie van de gemeente voor de vier grote culturele instellingen, waarvan € 6 mln. bestemd voor huisvestingskosten. Die 6 mln. vloeit direct terug naar diezelfde gemeente, die de eigenaar en verhuurder is. Ik vind een huisvestingslast van 50% erg hoog. Normaal is een percentage dat ergens tussen een kwart en een derde van de exploitatie ligt.

Beeldvorming 

Het nadeel van hoge huisvestingslasten is tweeledig. Ten eerste leidt het ertoe dat burgers maar vaak ook raadsleden denken dat er heel veel geld naar cultuur gaat, terwijl dit dus in belangrijke mate gebouwgerelateerd is. Hierdoor ontstaat rond kunst en cultuur een heel verkeerd beeld. En ten tweede hebben de organisaties verhoudingsgewijs weinig programmeringsbudget en is dus de flexibele ruimte om te reageren op externe ontwikkelingen (bezuinigingen, kansen in de markt) erg beperkt.

Huisvestingslasten wél beïnvloedbaar

Waar ik het niet mee eens ben, dat is de stelling dat dit soort kosten nauwelijks beïnvloedbaar zijn. Wat ik zie is dat culturele organisaties maar ook cultuurwethouders en hun ambtenaren vaak aan de leiband lopen van het gemeentelijke grondbedrijf. De normen die daar worden gehanteerd (bv. wat betreft afschrijvingstermijnen, onderhoudsniveaus en rekenrentes) worden dan als onaantastbaar gezien. Een kritische blik is hier op zijn plaats. Ten eerste met betrekking tot de vraag of de gemeente wel zelf de eigenaar van het gebouw moet zijn (het eigendom kan ook overgedragen worden aan de culturele organisatie zelf of aan een vastgoedbelegger). Ten tweede of de gemeente in haar rol als verhuurder wel zelf het onderhoud moet doen (huurders kunnen dat soms veel efficiënter). En ten derde of de manier waarop de gemeente het gebouw in de boeken heeft staan en daar administratief mee om gaat wel aansluit bij wat realistisch is voor een cultureel gebouw.

Bakens verzetten

Overigens is de ontwikkeling dat het vastgoed in de culturele sector een alsmaar grotere (financiële) rol speelt zorgwekkend. Nederland heeft zeven jaar economische recessie gekend, maar de culturele gebouwen hebben er nog nooit zo mooi bijgestaan als nu. En hebben nog nooit zo zwaar gewogen op de begrotingen van de organisaties. Mijn collega Eltje de Klerk is momenteel betrokken bij een analyse die de Amsterdamse Kunstraad uitvoert naar de rol van het vastgoed in de culturele infrastructuur. Ik zie erg uit naar de bevindingen en denk dat het tijd wordt om de bakens te verzetten. Niet alleen omdat de kosten buiten proportie raken voor een sector die is verarmd, maar ook omdat de inhoudelijke ontwikkeling van de kunsten er een is ‘van binnen naar buiten’: steeds minder in gebouwen en zalen, steeds mee op spannende locaties, tijdens festivals of bijzondere gelegenheden.

Hergebruik monumentale panden
Het wordt tijd om voor culturele functies weer uit te gaan zien naar goedkope, niet spiksplinternieuwe panden. Daarbij leg ik ook een relatie met een recent persbericht van BOEi (de organisatie die zich richt op de herbestemming van leegstaand erfgoed) waarin wordt gesignaleerd dat het vaak onnodig is om nieuwbouw te plegen omdat er nog genoeg monumenten zijn die ruimte bieden: maar liefst twee miljoen m2 meter aan monumenten wacht op een nieuwe bestemming: vooral grote monumenten zoals fabrieken, kerken, kloosters, en kazernes. In dit licht was het besluit van Utrecht om haar nieuwe bibliotheek niet te vestigen in een nieuw cultuurpaleis naast het centraal station, maar in het voormalige monumentale postkantoor aan het Neude een hele goede.

reacties  0 reacties reageren

Management en de kunst van het interimmen

31-08-2016 12:41

Iedere opdrachtgever weet wat hij wil, maar niet iedere opdrachtgever istock_93187477_mediumweet wat er nodig is. Dat staat in de kop van mijn weblog 'Eerste Hulp Bij Culturele Ontwikkeling'. Het is het centrale motto in mijn werk en iets dat geregeld bij opdrachten aan de dag treedt. Bij interim-werkzaamheden manifesteert het zich vaak in de vorm van wat ik noem ‘het managen van de samenloop der dingen’.  

Het benutten van de gebeurtenissen die niet zijn voorzien is misschien wel het belangrijkste aspect van interim-management, maar is ook een van de meest onderschatte. Interim-opdrachten verlopen doorgaans volgens een vast patroon: er is een crisis, het bevoegd gezag vraagt om een herstelplan, de interim-manager stelt dit op en het plan wordt doorgevoerd. Crisismanagement is dus een systematische poging om het functioneren van een organisatie te verbeteren en is gericht op normalisatie van de situatie. Het benutten van gebeurtenissen die onverwacht optreden vormt hierop echter een belangrijke aanvulling.

Het onverwachte benutten
Het managen van de samenloop van gebeurtenissen gaat uit van een ander patroon dan de opdrachtgever doorgaans veronderstelt. Terwijl de opdrachtgever – begrijpelijk en terecht – de focus helemaal heeft op de rationele doorvoering van het verbeterplan, betekent het managen van de onvoorziene zaken dat de interim-manager in staat is tot het tijdig herkennen én benutten van wat zich onverwacht aandient. Voorbeeld: een bepaald traject loopt heel moeizaam, er blijkt weinig draagvlak voor te zijn. Op een ander vlak doemt plots een juridisch conflict op, dat voor de organisatie grote consequenties kan hebben. Management: om het juridische conflict te beheersen wordt een aantal deskundigen van binnen en buiten de organisatie bij elkaar gezet. Door de bijeenkomsten van deze groep komt het traject dat eerder zo moeilijk verliep nu ineens in een stroomversnelling.

Begrijp mij goed. Het managen van de samenloop der dingen is NIET het bewust gelijktijdig laten plaatsvinden van zaken die eigenlijk los van elkaar staan. Het is niet het creëren van toevalligheden. Wat het wel is, dat is rekening houden met de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat er zich onvoorspelbare gebeurtenissen voordoen. De kunst is deze onverwachte voorvallen zodanig te gebruiken dat de eerder gestelde doelen sneller of beter worden bereikt.

De potentie herkennen van kleine voorvallen
De ervaring leert dat onverwachte gebeurtenissen heel vaak optreden. De kern van goed interim-management is dat om een situatie of verwikkeling te herkennen als een potentieel vruchtbare coïncidentie en hier naar te handelen. Daarbij gaat het zeker niet altijd alleen om grote gebeurtenissen die grote gevolgen kunnen hebben. Juist iets kleins en schijnbaar onbelangrijks kan vaak worden gebruikt om een wissel om te zetten of een proces in een stroomversnelling te brengen.

Het managen van de samenloop der dingen vergt vooral dat de manager zijn doelen scherp voor ogen heeft, zodat hij de vele onvoorspelbaarheden die dagelijks optreden daaraan kan verbinden. Daarnaast moet hij een ‘open mind’ hebben en een gezonde afstand tot de dagelijkse routines en besognes, anders is hij niet in staat een coïncidentie als zodanig te herkennen. De goede interim-manager laat de mensen om zich heen soms verzuchten dat “het zo heeft moeten zijn” of dat “toeval niet bestaat.” In wezen zijn deze verzuchtingen echter het tegenovergestelde van wat de essentie is van het managen van onvoorziene gebeurtenissen. Dat is: er vanuit gaan dat het toeval zich zeer geregeld aandient.

reacties  0 reacties reageren

Wie is er bang voor de benchmark?

Wie is er bang voor de benchmark?
01-05-2016 09:25

Over het belang van vergelijkend onderzoek bij culturele organisaties

 

Voor externe deskundigen is het niet altijd makkelijk om benchmarkonderzoek uit te voeren. Brancheorganisaties schermen de informatie af en culturele instellingen zijn soms huiverig om informatie te delen. Daar komt nog bij dat culturele organisaties niet altijd de waarde inzien van feiten en cijfers over bedrijfsvoering, wat ertoe leidt dat gegevens slordig en onvolledig in de systemen van de brancheorganisaties terecht komen. Spijtig.

 

Feiten en cijfers over de bedrijfsvoering van een organisatie zijn ALTIJD interessant. In de eerste plaats voor de organisatie zelf (sturingsinformatie voor directie en bestuur!), maar ook voor collega-organisaties en analisten die de ontwikkelingen in een sector volgen. En voor de subsidiënten is de informatie natuurlijk ook nuttig.

 

Voor zelfanalyse

Eerst maar even het management. Veel culturele organisaties maken hun begroting op de automatische piloot, als extrapolatie van het jaar ervoor. Dat is echter niet hoe een echte culturele ondernemer zou moeten opereren. Informatie over de bedrijfsvoering van de collega’s is extreem waardevol voor het scherper stellen van het eigen vizier. Een analyse levert vragen op die zeer behulpzaam zijn bij het maken van nieuwe keuzes.

 

Raden van Toezicht zouden zich hiervan ook meer bewust kunnen zijn. Vraag de directie een benchmark uit te voeren in relatie tot vergelijkbare organisaties van elders en je hebt als toezichthouder direct een aantal punten in handen waarop je de aandacht kunt richten.

 

Voor de branche

Met betrouwbare cijfers helpen organisaties elkaar om de bedrijfsprocessen beter te krijgen. Maar ze helpen er ook de branche mee. Want het beeld dat naar voren komt uit de geaggregeerde cijfers is vaak heel illustratief voor de ontwikkelingen in een bepaalde sector. Bijvoorbeeld huisvestingskosten die over de hele linie stijgen. Over personeelskosten die dalen omdat betaald werk wordt verdrongen door vrijwilligers.

 

Voor de financier

Natuurlijk kan benchmarkinformatie ook handig zijn voor de subsidiegevers. Maar ik heb nog niet meegemaakt dat gemeenten hun beleid uitsluitend baseerden op benchmark-uitkomsten. Wat meestal gebeurt dat is dat de gegevens fungeren als onderlegger voor het gesprek tussen gemeente en organisatie. Dan helpen de benchmarkgegevens om het gesprek te objectiveren: het ‘verhaal achter de cijfers’ komt naar voren. Wederzijds wordt het inzicht in de bedrijfsvoering verdiept en er kan een zinvol gesprek over achtergronden en keuzes plaatsvinden. Dát is waar het om gaat.

reacties  0 reacties reageren

Een pleidooi voor leenrecht op e-boeken

Een pleidooi voor leenrecht op e-boeken
11-03-2016 11:38

De Europese Commissie werkt aan modernisering van het auteursrecht. Hierin zou een bepaling moeten komen die het bibliotheken toestaat om e-boeken uit te lenen tegen een billijke vergoeding voor de rechthebbenden (uitgevers en auteurs). Dit is al het geval bij het uitlenen van papieren boeken en zou ook van toepassing moeten worden op e-boeken.

 

In de Wet Stelsel Openbare Bibliotheekvoorzieningen (Wsob) zijn de taken van de openbare bibliotheken vastgelegd. Er is bepaald dat bibliotheken een goede (lees: onafhankelijke, volledige en laagdrempelige) toegang tot informatie moeten verschaffen. Daar hoort tegenwoordig ook een goede toegang tot digitale informatie en het uitlenen van e-boeken bij.

Momenteel is de situatie zo dat openbare bibliotheken bijna 25% van het aantal beschikbare e-boeken kunnen uitlenen aan hun leden[1]. Hieruit blijkt dat er nog onvoldoende overeenstemming tot stand komt tussen de bibliotheken en de rechthebbenden.

 

Huidige situatie kostbaar en inefficiënt

Momenteel moeten voor ieder uit te lenen e-boek aparte (vooral financiële) afspraken worden gemaakt tussen de bibliotheken en de uitgevers. Deze onderhandelingen zijn kostbaar, jaarlijks weerkerend en leiden er niet automatisch toe dat dat wat beschikbaar is, ook via de bibliotheek beschikbaar komt voor het Nederlandse publiek. De bibliotheek kan haar wettelijke taak niet goed uitvoeren. Wanneer niet over ieder e-boek aparte onderhandelingen gevoerd hoeven te worden scheelt dit veel kosten. Daarbij zijn bibliotheken van harte bereid een billijke vergoeding te betalen voor het gebruik van auteursrechtelijk beschermd werk, zie de staande praktijk wat betreft de fysieke boeken en de leenrechtvergoedingen die daarvoor worden uitgekeerd.

 

Auteurs hebben belang bij leenrecht

In de huidige praktijk komen de opbrengsten van het uitlenen van e-boeken bijna uitsluitend terecht bij de uitgevers. Zij maken over de uitleen van e-boeken prijsafspraken met de bibliotheken, maar betrekken daar de auteurs amper in. Auteurs houden nauwelijks iets over aan de uitleen van e-boeken. Ze hebben geen enkel inzicht in wat uitgevers met hun werk doen. Uit onderzoek van de VvL van afgelopen oktober bleek dat veel schrijvers en vertalers niet eens wisten dat hun e-boeken konden worden uitgeleend. 'Uitgevers bepalen of het de bibliotheek is toegestaan om een e-boek uit te lenen. Uitgevers bepalen ook hoeveel moet worden betaald. En vervolgens bepalen uitgevers hoeveel een schrijver kan ontvangen van het bedrag dat is betaald.' Voor alle duidelijkheid: schrijvers weten niet welk bedrag een uitgever aan de bibliotheek vraagt.

 

Voor schrijvers die hun boeken zelf uitgeven is het nog erger. Kinderboekenschrijfster Nanda Roep vertelde onlangs in Brussel aan Europarlementariërs dat ze voor een derde van haar inkomen afhankelijk is van uitleenvergoedingen. In 2010 verkocht ze 10.000 boeken en werd haar werk 200.000 keer uitgeleend. In de digitale toekomst zal dat niet anders zijn: in de 'afgelopen maanden' verkocht Roep achttien e-boeken en werd haar werk 450 keer digitaal uitgeleend. Echter: door het ontbreken van een wettelijke regeling van leenrecht ten aanzien van e-boeken ontvangt zij over de digitale uitleningen geen cent.

 

Jongeren bereiken en geletterdheid bevorderen

De bibliotheek een kweekvijver voor nieuwe lezers. In 2014 was 66% van de jongeren onder de 18 jaar lid van de bibliotheek, wat laat zien dat een groot deel van de jongeren door middel van de bibliotheek in aanraking komt met lezen. Door een intensieve samenwerking met het onderwijs in de Bibliotheek op school worden geletterdheid en leesvaardigheden bevorderd en aantrekkelijk gemaakt. Op deze manier worden de lezers van de toekomst gecreëerd. Dat gebeurt met fysieke bibliotheekdienstverlening maar ook digitale diensten. Om de generatie jongeren van nu goed te kunnen bedienen op het gebied van lezen en toegang tot boeken, is het belangrijk dat bibliotheken e-content en e-boeken kunnen aanbieden.

 

Conclusie: e-boeken zonder belemmeringen

De Digitale Bibliotheek neemt een grote vlucht. Met je bibliotheekpas kun je vanuit de luie stoel al meer dan 10.000 boeken lenen en dat aantal zal de komende jaren toenemen. Nederland zou zich in de Europese Unie hard moet maken om een bepaling in de Europese wetgeving te krijgen die toepassing van het leenrecht op e-boeken mogelijk maakt.

 

[1] Bron CB: eind 2015 zijn er 42.456 e-boektitels beschikbaar in Nederland. Bron KB: Het e-boekenplatform van Bibliotheek.nl bevat eind 2015 10.611 e-boektitels.

reacties  0 reacties reageren

Makkelijke maatregelen om cultuur te stimuleren

Makkelijke maatregelen om cultuur te stimuleren
06-02-2016 13:14

Geregeld haal ik de formule B = p(G +V) aan om uit te leggen dat lokaal cultuurbeleid het product is van politieke koers maal Geld en Vakkennis. De formule betekent dat in gemeenten het culturele leven kan floreren als de politiek een duidelijke koers volgt, hieraan budget koppelt en als de politieke lijn wordt gesteund door kennis van de manier waarop de sector en de samenleving functioneren. Is er geen politieke koers (p=0), dan is er ook geen beleid. Is er echter geen of weinig geld (G=0), dan kan er toch nog wel wat gebeuren.

 

Ruimten beschikbaar stellen

Hoe doe je dat, cultuurmaatregelen zonder geld? Meestal bedoelt de vragensteller: hoe maak je cultuurbeleid zonder gebruik te maken van subsidies? Vanuit het oogpunt van de lokale overheid kun je dat faciliteren noemen. Vooral een gemeente kan veel zaken faciliteren. Dat kost soms wel geld (eenmalig bijvoorbeeld, of uit andere bronnen), maar vergt geen subsidie. De bekendste manier van faciliteren is leegstaande ruimten beschikbaar stellen. Veel gemeenten hebben panden in bezit die tijdelijk of permanent leeg staan. Door deze beschikbaar te stellen voor werk- en oefenruimten of voor exposities en concerten krijgt het culturele leven direct een impuls. In het verlengde hiervan ligt het beschikbaar stellen van locaties: voor uitingen van urban culture, voor festivals of andere openluchtevenementen. Eventueel kan daarbij ook worden voorzien in een passende ondergrondse infrastructuur ter plekke (krachtstroom, water, riolering).

 

Combinatiefuncties

Een andere vorm van faciliteren is een plek op het wereldwijde web. Bijvoorbeeld voor een evenementenkalender of een Uit-agenda. De gemeente kan ook iemand beschikbaar stellen die zo’n site voedt. Soms kan zo’n functionaris ook andere organiserende taken krijgen en heeft hij een naam: cultuurmakelaar, cultuurcoach, o.i.d. Als deze persoon wordt aangemerkt als combinatie-functionaris, kan de gemeente het rijk de helft laten meebetalen. De activiteiten van zo’n aanjager kunnen ook betrekken hebben op het organiseren van cultuureducatie voor de jeugd of bijvoorbeeld het onderhouden van een lokaal cultureel platform. Een volgende stap is om deze verbindingsofficier te laten werken aan het opzetten van een lokaal of regionaal Cultuurfonds dat (evt. eenmalig) wordt gevoed door de overheid, het bedrijfsleven en vermogende particulieren of private stichtingen in de omgeving.

 

Collectieve cultuurpromotie

Wie cultuur wil stimuleren, zorgt dat de interesse van het publiek wordt gewekt. Culturele organisaties doen altijd zelf aan promotie, maar vaak worden de inspanningen effectiever als ze worden gebundeld. De gemeente kan de marketeers uitnodigen om samen te werken. Bijvoorbeeld aan projecten zoals een seizoensopening, een festival, een themaweek of een culturele zondag. Deze vormen van collectieve marketing leiden vrijwel altijd tot meer bezoek en versterking van de sector. En als een evenement dan succesvol is, is het beslist een idee om de opbrengst uit de toeristenbelasting (of de parkeergelden) terug te sluizen naar de culturele initiatiefnemers om zo hun ondernemerschap te belonen.

De cultuurdeelname kan ook worden gestimuleerd door deze betaalbaar te maken. Dit kan door een Jeugdcultuurfonds in te stellen en/of door een kortingspas of een algemene cultuurpas in te voeren.

 

Culturele wijk

Een manier om het culturele klimaat in algemene zin te stimuleren is het bijvoorbeeld door een culturele wijk te maken. In mijn boek De Culturele Stad reik ik hiervoor een toolkit aan. Deze bestaat grotendeels uit middelen die geen subsidie vergen. En dan zijn er natuurlijk nog de middelen om ondernemerschap te bevorderen: belemmeringen opheffen (zoals regels m.b.t. paracommercialiteit, openingstijden, vergunningverlening voor evenementen en geluidhinder) en stimulering (door bv het afgeven van garanties voor leningen). Ook het toestaan dat parkeergelden worden geheven valt hieronder.

 

Blijft over dat het hebben van een basisniveau aan culturele voorzieningen belangrijk is. En die vergen meestal subsidie. Eigenlijk kunnen de genoemde low budget-maatregelen alleen goed uitpakken als er wel een basis van voorzieningen mét subsidie aanwezig is.

reacties  0 reacties reageren

Waar komt het bk-geld van de gemeenten vandaan?

Feestaardvarken ontworpen door kunstenaar Florentijn Hofman, bij cultuurcluster Rozet in Arnhem.
Feestaardvarken ontworpen door kunstenaar Florentijn Hofman, bij cultuurcluster Rozet in Arnhem.
01-12-2015 12:22

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van de begroting Cultuur 2016 stelden regeringspartijen VVD en PvdA voor om 13,5 miljoen euro weg te halen bij gemeenten en aan de cultuurbegroting toe te voegen. Ze willen dat 7 miljoen gaat naar onder andere festivals, jonge podiumkunstenaars en reizende operagezelschappen. Het restant van 6,5 miljoen euro mag via het ministerie van OCW naar de gemeenten blijven laten gaan, maar alleen als deze hetzelfde bedrag bijleggen (zie: NRC).

 

Erfenis uit de BKR-tijd

Wat is eigenlijk de achtergrond van die 13,5 mln. die 36 gemeenten ontvangen voor beeldende kunstbeleid? Dit gaat terug naar de tijd van de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR), ook wel de ‘contraprestatie’ genoemd. De BKR werd eind jaren tachtig beëindigd en uit de boedelscheiding kwam een waaier aan van maatregelen op verschillende bestuursniveaus. Een belangrijk uitgangspunt daarbij was een taakverdeling tussen de drie bestuurslagen, waarbij het rijk zich zou richten op het ondersteunen van de productie van beeldende kunst en de gemeenten zich concentreerden op het faciliteren van de afname ervan (Beleidsbrief Beeldend Kunstbeleid 1990, minister ‘d Ancona). Vanaf 1990 ging een budget van 40 mln. gulden naar de provincies en de grotere gemeenten. Het geld werd besteed aan o.a. de kunstuitleen, aankopen, kunstopdrachten, beurzen, stipendia, promotie-activiteiten en de exploitatie van tentoonstellingsruimten, werkplaatsen e.d.

 

Actieplan Cultuurbereik en verder

In de loop der jaren muteerde deze geldstroom een paar keer. In 2001 werd het budget ondergebracht bij het Actieplan Cultuurbereik van staatssecretaris Rick van der Ploeg. Het bk-budget bleef daarvan wel een zelfstandig onderdeel. Wel verschoven de subsidiecriteria naar het bevorderen van afname en naar cultureel ondernemerschap (toen al). Meer en meer werden de middelen daarom besteed aan publieksgerichte activiteiten en minder aan aankopen/collectievorming. Daarnaast ging het aantal betrokken gemeenten terug van 41 naar 36.

In 2007 besloot minister Plasterk het budget dat de provincies tot dat moment kregen eveneens over te hevelen naar de 36 gemeenten. De minister beëindigde de Geldstroom Beeldende Kunst en Vormgeving per 2009. In plaats van 16.7 miljoen via twaalf provincies en veertien gemeenten in te zetten voor een aantal gezamenlijk geformuleerde doelen, decentraliseerde Plasterk 13,3 miljoen naar 36 gemeenten. Negen ‘netwerksteden’ behielden het budget dat zij tot dan uit de Geldstroom van het Rijk kregen, de overige steden kregen vanaf 2009 een budget van 150.000 euro via een decentralisatie-uitkering. Daarmee kwam tevens een einde aan de betrokkenheid van de provincies bij het beeldende kunstbeleid.

 

Recente schermutselingen

In de meicirculaire 2014 m.b.t. het gemeentefonds stond vermeld: ‘De decentralisatie-uitkering Beeldende Kunst en Vormgeving is in het kader van het groot onderhoud opgegaan in de algemene uitkering’. Hierbij werd toen geen motivatie gegeven en ook een toekomstige verdeelmaatstaf ontbrak. Er kwamen protesten daartegen vanuit de gemeenten, het veld en de landelijke politiek, want de betrokken 36 gemeenten hadden meerjarige afspraken met instellingen en kunstenaars gemaakt voor de cultuurnota-periode 2013-2016. Met de septembercirculaire werd vervolgens geregeld dat de decentralisatie-uitkering Beeldende Kunst en Vormgeving (BKV) bij nader inzien toch niet per 2015 in het gemeentefonds werd versleuteld. De stand per september 2014 was dat de 36 grotere centrumgemeenten de uitkering zouden blijven ontvangen tot 2017.

reacties  0 reacties reageren